Multiple Sclerose en blaasproblemen

Meer dan 90 procent van de mensen met MS krijgt blaasproblemen, variërend van heel lichte tot zeer hinderlijke incontinentie. In deze MSzien legt dr. Dirk De Ridder de oorzaken van deze problemen uit en de wijze waarop zij zich voordoen. Ook aandacht voor behandeling van en onderzoek naar die blaasproblemen bij MS. In een volgende MSzien gaan we in op de invloed die incontinentie heeft op het dagelijkse leven.

Door: Nora Holtrust

931mszien1-urologie1De meeste mensen met blaasproblemen is goed te leren zich zelf daarmee te redden, zo stelt dr. Dirk De Ridder. Hij kan het weten. De Ridder is niet zomaar een uroloog. Hij is neuro-uroloog, een autoriteit op het gebied van MS, verbonden als hoofddocent aan de Katholieke Universiteit van Leuven en als algemeen coördinator aan het Nationaal MS-centrum in Melsbroek. In het aprilnummer van MenSen (2002) hebben we al eens uitgebreid stilgestaan bij dit unieke centrum (zie ook Lezen/Archief/MS-centra, nr. 6). En daarom nu de vraag aan Dr. De Ridder ons te willen uitleggen hoe het komt dat mensen met MS zo dikwijls kampen met blaasproblemen.

Meer dan 90 procent van de mensen met MS krijgen blaasproblemen.”

—Dirk de Ridder, uroloog

“Meer dan 90 procent van de  mensen met MS krijgen blaasproblemen”, zo doceert hij. “Deze problemen worden veroorzaakt door de onderbreking van de zenuwgeleiding. Hoog in het ruggenmerg zit een belangrijk schakelcentrum voor de blaaswerking, het pontien mictiecentrum. Dit centrum werkt als een schakelaar voor blaasvulling of blaaslediging. Onderaan in het ruggenmerg zit nog een belangrijk centrum: het sacraal mictiecentrum. Van hieruit vertrekken de zenuwen naar de blaas en sluitspier. Indien dit centrum niet meer gecontroleerd wordt door het pontien centrum, ontstaat er een overactieve blaasspier en soms ook een overactieve sluitspier. Multiple sclerose gaat er nu juist voor zorgen dat de verbindingen tussen het pontien en het sacraal mictiecentrum onderbroken worden. Daarnaast kunnen ook bepaalde zenuwbanen (niet gemyeliniseerde C zenuwvezels) die bij gezonde mensen van weinig belang zijn, plotseling actief worden en tot een zeer overactieve blaas aanleiding geven”

Overactieve blaas

Punt blijkt te zijn dat bij verreweg de meeste mensen met MS – De Ridder denkt bij 80 procent – de blaas overactief is. Dit uit zich doordat mensen vaak en dringend moeten plassen. “Dat kan op een gegeven moment steeds erger worden, want er is een duidelijk verband tussen de neurologische toestand – vooral de spasticiteit van de onderste ledematen – en de blaasfunctie”.

Als de onderste ledematen last van spasmen krijgen, kunnen de bekkenbodem en de sluitspier volgens De Ridder ook spastisch worden. Het gevolg hiervan is dat het plassen minder makkelijk gaat en dat de blaas zich onvolledig ledigt. “Je kunt dan het gevoel krijgen dat je dringend moet plassen maar als je op het toilet bent aangekomen, constateer je dat je juist veel moeite moet doen om te plassen. Dit komt omdat de sluitspier niet wil openen op het moment dat ze zou moeten; de sluitspier gedraagt zich spastisch. Dit fenomeen doet zich bij de helft van de patiënten met blaasoveractiviteit voor”. Het achterblijven van urine in de blaas verhoogt bovendien de kans op urineweg-infecties. Het beste voorkom je dit soort infecties door de blaas regelmatig volledig te legen.

Naar zijn berekening zal zo’n 10 procent van de patiënten een slappe blaas vertonen, die moeilijk spontaan te ledigen is en zal 10 procent van de patiënten een normale blaasfunctie behouden.

Behandelingen

Problemen die artsen als De Ridder steeds afhankelijk van de graad van handicap behandelen. “Bij beginnende MS blijven de blaasklachten vaak beperkt tot vaak en dringend moeten plassen. Bij mensen die nog kunnen lopen en een redelijke controle over hun lichaam hebben, kunnen oefeningen van de bekkenbodemspier nuttig zijn om deze controle te verbeteren en te behouden. Deze oefeningen worden aangeleerd door speciaal opgeleide kinesisten (fysiotherapeuten).

“Bij veel patiënten zal echter medicatie nodig zijn om de overactieve blaas te bedwingen. Deze medicatie vermindert de samentrekkingskracht van de blaasspier”. Dr. De Ridder doelt onder meer op Ditropan®, Driptane® en Detrusitol®. Medicamenten die als bijwerkingen hebben: droge mond, constipatie en soms gezichtsstoornissen, zo waarschuwt hij.

“Bij meer gevorderde MS treden stoornissen van het ledigen van de blaas vaak op de voorgrond”, vervolgt De Ridder. “Deze worden veroorzaakt door spasticiteit van de sluitspier. Dit treedt, zoals gezegd, vaak op bij verergering van de spasticiteit van de onderste ledematen. Dan valt allereerst te proberen de blaaslediging te verbeteren met medicatie. Medicatie die ook gebruikt wordt bij mannen met prostaatklachten, de zogenoemde alpha-blockers zoals Hytrin®, Xatral®, Omic®”.

Hij wijst erop dat sommige van deze producten zelfs bloeddrukverlagend kunnen zijn. “Zo is Hytrin® een geschikt middel wanneer de patiënt ook aan hoge bloeddruk lijdt. Soms is de combinatie met medicatie tegen spasticiteit zoals Lioresal® nuttig”.

Catheterisatie

De theorie is dat als er telkens meer dan 100-150cc urine in de blaas achterblijft, dit een constante prikkel vormt voor de blaas en de klachten van drang en frequent plassen niet zullen verbeteren. Bovendien is er dan een verhoogd risico voor infecties.

Dr. De Ridder: “Op dat ogenblik kan je besluiten om sondage – catheterisatie – toe te passen. Hierbij wordt de blaas met een sonde – catheter – geledigd. Afhankelijk van wat nodig is, één tot meerdere keren per dag. Doen je handen het goed, dan kun je die techniek zelf aanleren. Catheterisatie schrikt veel patiënten nogal af maar de meeste mensen zijn achteraf tevreden over deze techniek. Het is verder beslist niet zo dat catheterisatie voor meer infecties zorgt.

Soms moeten patiënten hun toevlucht nemen tot een verblijfssonde oftewel een permanente cathether. Een verblijfscathether kan het beste suprapubisch geplaatst”. Dat wil zeggen, door de buikwand in de blaas geplaatst. “Op die manier wordt namelijk het urinekanaal niet beschadigd”.

Onderzoek

Ondertussen zitten de onderzoekers op dit gebied bepaald niet stil. “De evolutie binnen de neuro-urologie is eindelijk begonnen. Er komen constant nieuwe medicaties en behandelingen op de markt. Ook hier in Melsbroek zijn we actief betrokken bij onderzoek naar het nut en de werking van diverse middelen, zoals bijvoorbeeld het effect van cannabis op de blaasproblemen bij MS”.

Recent wordt ook botulinetoxine toegepast. Dit product wordt rechtstreeks in de blaasspier ingespoten tijdens een cystoscopie (= kijken in de blaas). Dit verlamt de overactieve blaasspier gedurende verschillende maanden, zodat vlot intermittente sondage kan toegepast worden.

Een andere veelbelovende studie is volgens De Ridder het onderzoek naar het middel resiniferatoxin (RTX) gebruikt om de blaasoveractiviteit te verminderen. “Dit product stelt de C-zenuwvezels buiten werking voor een periode van gemiddeld drie maanden. Het wordt via een sonde in de blaas gespoten, waar het een half uur moet inwerken. Nadien wordt de sonde verwijderd. Er zijn geen algemene bijwerkingen, daar het product niet in het lichaam wordt opgenomen”, aldus De Ridder.

Daarnaast lopen er nog verschillende studies met nieuwe medicamenten, die minder bijwerkingen zouden hebben dan de bestaande.

Nog iets vergeten? Een advies wellicht. “Hoewel we in de eerste plaats zelfredzaamheid nastreven bij mensen met MS, ook op gebied van blaascontrole, denken we tegelijkertijd wel dat regelmatige controle bij urinaire problemen nuttig is. Eventuele veranderingen in het plasgedrag kun je het beste altijd aan de arts melden, zodat de behandeling zo mogelijk kan worden aangepast. Of misschien is er inmiddels een beter medicijn met minder bijwerkingen gevonden. Het onderzoek op dit terrein is volop in beweging”.

Tenslotte komt hij terug op zijn Belgische praktijk. “Hier in Melsbroek vinden wij de samenwerking tussen de diverse disciplines, zoals neurologen, neuro-urologen, revalidatie-artsen, fysiotherapeuten en verpleegkundigen, erg belangrijk. Als team kun je samen met de patiënt bekijken wat de beste behandeling is. Overleg met de familie en thuiszorg mag daarbij niet ontbreken”.

Tot zover dr. Dirk De Ridder.

MSzien 2003, nr. 1

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.