Erfelijke factoren beïnvloeden de kans op MS. Voor de Nederlandse bevolking is de kans op het krijgen van MS 1:1000, terwijl familieleden van mensen met MS ongeveer een kans van 1:200 hebben. Bekend is dat bij MS ontstekingsfactoren een rol spelen. Onderzoek laat nu zien dat er waarschijnlijk een verband bestaat tussen de familiair bepaalde afstelling van het afweersysteem en MS.

Door: Brigit de Jong*

dr. Brigit de Jong van Vumc MS centrum en het Cognitie expertisecentrum
dr. Brigit de Jong

Het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en de Afdeling neurologie van het Academisch Ziekenhuis Vrije Universiteit Amsterdam (AZVU) werken samen aan een onderzoek naar het verband tussen familiair bepaalde afstelling van het afweersysteem of immuunsysteem en de kans op het krijgen van MS.

Het onderzoek richt zich op de aanmaak van zogenaamde cytokinen. Cytokinen zijn eiwitten die in wisselende hoeveelheden door cellen van het immuunsysteem worden gemaakt en die invloed hebben op de activiteit van een ontsteking.

Grofweg zijn cytokinen onder te verdelen in twee groepen. De ene groep bestaat uit cytokinen die de ontstekingsreactie stimuleren en de ontsteking dus erger kunnen maken. Dit zijn de zogenoemde pro-inflammatoire cytokinen. De andere groep bestaat uit cytokinen die de ontstekingsreactie juist remmen en de ontsteking dus minder maken. Dit zijn de zogenoemde anti-inflammatoire cytokinen.

Omdat bij MS sprake is van ontstekingen in het centrale zenuwstelsel is de veronderstelling gewettigd dat stimulerende cytokinen het ziekteproces van MS bevorderen terwijl remmende cytokinen het ziekteproces vertragen. De balans in aanmaak tussen stimulerende en remmende cytokinen zal mogelijk dus van invloed zijn op het beloop van de ziekte. Bovendien zou die balans eveneens belangrijk kunnen zijn voor de kans op het krijgen van de ziekte.

De hoeveelheid cytokinen die iemand maakt verschilt van persoon tot persoon. Eerder onderzoek heeft laten zien dat de hoeveel cytokinen die iemand kan maken voor het belangrijkste deel familiair bepaald is.

Ook is onderzoek gedaan naar een andere ziekte, waarbij ontstekingen eveneens een belangrijke rol spelen. Uit dat onderzoek bleek dat de hoeveelheid van de cytokinen die iemand kan maken en de balans tussen de stimulerende en remmende cytokinen inderdaad een rol spelen bij de kans op het krijgen van die ziekte en het beloop van de ziekte.

In het huidige onderzoek staat de vraag centraal of dat ook voor MS geldt. Als stimulerend cytokine is tumor necrosis factor (TNF) bestudeerd en als remmend cytokine interleukine-10 (IL-10). Als iemand meer dan gemiddeld veel TNF maakt en minder dan gemiddeld IL-10 spreken we van een pro-inflammatoir – dus een ontsteking stimulerend – cytokinen profiel. Als iemand minder dan gemiddeld TNF aanmaakt en meer dan gemiddeld IL-10 spreken we van een anti-inflammatoir – dus een ontsteking remmend – cytokinen profiel.

Deelnemers

De deelnemers aan het onderzoek zijn benaderd via de Afdelingen Neurologie van het LUMC en de VU. Een voorwaarde voor deelname was dat er minstens twee familieleden – vader, moeder, broers, zussen of kinderen – eveneens bereid waren mee te doen met het onderzoek.

Omdat het voor de studie nodig was om resultaten van families met MS te vergelijken met resultaten van families zonder MS is aan de partner van de persoon met MS gevraagd om samen met zijn of haar familieleden deel te nemen aan het onderzoek als een zogenaamde ‘controle-familie’. Uiteindelijk hebben 75 mensen met MS en hun familieleden en 54 controle families mee gedaan.

Bij alle deelnemers is bloed afgenomen. De witte bloedcellen – dit zijn de cellen van het immuunsysteem die in het bloed voorkomen – zijn met een vaste hoeveelheid van een bepaald stofje, endotoxine genaamd, geprikkeld om cytokinen aan te maken. Na een bepaalde tijd is gemeten hoeveel TNF en IL-10 iedereen had aangemaakt.

Vervolgens zijn de families waar MS in voor kwam in twee groepen verdeeld. Eén groep bestond uit de families van mensen waarbij MS was begonnen met die vorm, waarbij schubs optreden. In deze groep zaten zowel mensen met een nog steeds relapsing-remitting MS alsmede ook mensen met inmiddels secundair progressieve MS. De andere groep bestond uit families van mensen met een vanaf het begin progressieve ziekte zonder schubs, de zogenoemde primair progressieve MS.

Niet zwart-wit

De hoeveelheid TNF en IL-10 die de leden van de MS families aanmaakten is voor beide groepen afzonderlijk vergeleken met de aanmaak van TNF en IL-10 door de leden van de controle families.

Uit deze vergelijking bleek het volgende. Mensen die behoren tot een familie met een pro- inflammatoir of ontsteking stimulerend cytokinen profiel – aanmaak van veel TNF en weinig IL-10 – hebben een vier keer zo grote kans om een relapsing-remitting MS te krijgen vergeleken met mensen die behoren tot families met een anti-inflammatoir, ontsteking remmend, cytokinen profiel – dus lage TNF en hoge IL-10 aanmaak -. Deze verschillen in de balans van de cytokinen aanmaak lijken de kans op het krijgen van primair progressieve MS niet te beïnvloeden.

Het is belangrijk om de resultaten van dit onderzoek niet te zwart-wit te interpreteren. Een vier keer verhoogde kans, hoe vaak is dat? Een op de 1000 mensen in Nederland heeft kans om die vorm van MS te krijgen die met schubs begint. Behoor je tot een familie met een pro-inflammatoir cytokinen profiel dan lijkt die kans volgens dit onderzoek groter, namelijk vier op 1000.

Overigens is het zo dat dit pro-inflammatoire cytokinen profiel – dus aanmaak van bovengemiddelde TNF productie en ondergemiddelde IL-10 productie – heel veel voorkomt. Veruit de meeste mensen die dit cytokinen profiel hebben krijgen dus geen MS. Anderzijds kunnen mensen met een ander cytokinen profiel ook MS krijgen. Met andere woorden: de familiair bepaald balans in het afweersysteem lijkt bij te dragen aan een licht verhoogde kans op het krijgen van relapsing-remitting MS. We willen echter wel voorzichtig blijven met onze uitspraken omdat deze bevindingen, zoals hierboven beschreven, afkomstig zijn uit één enkele studie. Het zal duidelijker zijn als andere onderzoeken deze resultaten bevestigen.

* Brigit A. de Jong is nu nog als arts-onderzoeker in dienst van de Afdeling Klinische Epidemiologie van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) en vanaf augustus als arts-assistent bij de Afdeling Neurologie van het Academisch Medisch Centrum (AMC) te Amsterdam. Dit artikel is een bewerking van een eerdere publicatie in Annals of Neurology. Volume 48. Oktober 2000, blz. 641-646. Het onderzoek is onderdeel van een project gefinancierd door de Stichting Vrienden MS Research.

Eerder verschenen in MenSen 2001, nr. 3

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *