Onderzoek wijst uit, dat het idee dat er iemand is die je steunt op momenten, dat je dat nodig hebt, samenhangt met meer welbevinden. Het centrale onderwerp van het proefschrift zijn de steunende interacties tussen partners, die leven met MS.

Samenvatting proefschrift van A.M. Kleiboer


992proefschriftannetvoorkant
Methode

De onderzoekster keek naar de hoeveelheid steun die patiënten en partners elkaar geven en van elkaar ontvangen. Daarbij maakte ze onderscheid tussen instrumentele (fysieke) steun, die logischerwijze meer door de partner dan door de patiënt geleverd kon worden, en de emotionele steun, die van beide kanten kan komen.
Het onderzoek vond plaats op grond van de gegevens uit 122 dagboeken waarin gedurende 14 dagen dagelijkse interacties waren opgetekend door 61 paren. Op grond daarvan kreeg de onderzoekster een beeld van de positieve en negatieve reacties van partners op elkaar. Dit zowel in instrumentele als in emotionele zin.
Zij gebruikte daarna een voorspellingsmodel waarbij zij voorspelde wat het welbevinden met name op het gebied van angst en depressie van de partners in de toekomst zou worden en controleerde zeven maanden later aan de hand van vragenlijsten of dat klopte.

Gegeven steun

Patiënten kregen zoals verwacht meer instrumentele steun dan hun partners. Dit geheel afhankelijk van de ernst van de MS. Bij de emotionele steun was dat minder eenduidig. Patiënten gaven aan, dat ze net zoveel steun gaven als ze ontvingen. Maar de partners vonden dat ze meer gaven dan ze ontvingen. De emotionele steun was niet afhankelijk van de ernst van de ziekte. En ook niet aan de hoeveelheid angst en depressie die de patiënt ervoer.
Wel kwam naar voren, dat wanneer patiënten meer gevoelens van angst ervoeren, zowel partners als patiënten meer negatieve interacties rapporteerden. Maar bij depressieve gevoelens was dit niet het geval.

Uit balans

Door de ziekte kunnen steunende interacties verschuiven van de patiënt naar de partner waardoor patiënten en partners hun relatie als ‘uit balans’ ervaren. Patiënten voelden zich over het algemeen bevoordeeld. Dit toenemend met de vermeerdering van fysieke beperkingen. Partners gaven doorgaans aan, dat hun relatie ‘billijk ‘was. In balans dus. Maar bij ernstiger vormen van de MS voelden zij zich wel in het nadeel.

Effecten van instrumentele steun

Uit de gegevens over de instrumentele steun kwam de onderzoekster tot de conclusie, dat dingen doen voor de partner een plezierige ervaring is voor zowel partners als
Dat is niet anders dan bij gezonde mensen. Niet in staat zijn om instrumentele steun terug te geven aan de partner is voor de patiënt zeer nadelig en benadrukt de afhankelijkheid. Daaruit valt af te leiden, dat het geven van instrumentele steun – waar dat kan-  voor de patiënt bijdraagt tot haar/zijn welbevinden.

Emotionele steun

Patiënten profiteerden het meest van steun geven terwijl partners de meeste baat hadden van het ontvangen van emotionele steun. Emotionele steun ontvangen had tevens een indirect effect op de stemming van patiënten en partners doordat het de negatieve effecten van negatieve reacties van de partner verminderde. De onderzoekster heeft gekeken naar de gemiddelde hoeveelheid steun, die mensen gedurende de twee weken hebben ontvangen als voorspeller van angst en depressie zeven maanden later. De voorspelbaarheid was niet aanwezig. De gemeten gevoelens van angst en depressie waren hooguit marginaal veranderd. Emotionele steun is dus van belang met betrekking tot verschillende aspecten van welbevinden. Dit maakt de eerder gemaakte opmerking dat de ziekte niet per definitie gaat van emotionele steun des te belangrijker.

Negatieve interacties

Ontvangen negatieve interacties op een dag dragen bij aan minder welbevinden aan het eind van de dag. Vooral voor patiënten verwachtte de onderzoekster, dat negatieve interacties een sterk effect op dat welbevinden zouden hebben omdat die het meest kwetsbaar geacht werden en het meest afhankelijk zijn. Dat was echter niet het geval.

Klinische implicaties

De meeste behandelingen voor chronisch zieken zijn gericht op steun ontvangen en het is vooralsnog ongebruikelijk om te kijken of patiënten ook steun geven. Dit onderzoek laat zien dat steun geven belangrijk is voor het welbevinden niet alleen van patiënten maar ook van partners. Hoe patiënten ondanks hun beperkingen nog steeds steun kunnen geven aan hun partner zou een waardevol aangrijpingspunt voor therapeutisch ingrijpen kunnen zijn. Tegelijkertijd zou het aanmoedigen van patiënten om steun te geven van belang kunnen zijn wat betreft gevoelens van billijkheid. Patiënten die meer steun geven zullen zich minder snel bevoordeeld voelen en partners zullen zich minder snel benadeeld voelen. Dit onderzoekt onderstreept het belang van emotionele steun voor het welbevinden van beide partners. Naast een direct effect blijkt dat emotionele steun werkt als een buffer tegen de negatieve gevolgen van negatieve interacties. Het is belangrijk om bij therapeutisch ingrijpen voor patiënten en partners aandacht te geven aan deze processen.

Proefschrift: Couples dealing with multiple sclerosis. A diary study examining the effects of spousal interactions on well-being; Universiteit Utrecht
Promotoren: prof.dr.J.M.Bensing en prof. dr. J.J.Hox
Co-promotor: dr. R.G.Kuijer 
Dit onderzoek is gefinancieerd door de stichting MS Research

Curriculum Vitae

Personalia:

Naam:     A.M. Kleiboer
Geboren: 2 mei 1972 te Apeldoorn

 Opleiding:
1992 VWO Apeldoorns College te Apeldoorn

1998 Doctoraal Klinische en Gezondheidspsychologie, Universteit Utrecht

 Werkervaring:

Psycholoog bij het Riagg Oost-Veluwe, afdeling Ouderen; Onderzoekspyscholoog RIAGG Rijnmond-Zuid, Rotterdam;

Junior onderzoeker, vervolgopleiding tot huisarts, Katholieke Universiteit Nijmegen; Assistent in opleiding, Gezondheidspsychologie, Universiteit Utrecht;

Docent communicatievaardigheden, opleiding geneeskunde, UMC Utrecht;

Onderzoeker bij de disciplinegroep Klinische en Gezondheidspsychologie UU;

Docent disciplinegroep Klinische en Gezondheidspsychologie Universiteit Utrecht.

annetkleiboer2

Promotie:

11 december 2006, Universiteit Utrecht

Relatie met MS:

Voordat ik met het onderzoek voor mijn proefschrift begon, kende ik de ziekte al uit mijn eigen omgeving en wist min of meer wat voor impact de ziekte op het leven van zowel degene met MS als de partner kon hebben. Een zekere affiniteit met het onderwerp had ik dus al voor ik aan het project begon.

Waarom binnen het project gekozen is om naar interacties tussen partners bij MS te kijken  heeft te maken met verschillende dingen. Allereerst wordt er relatief weinig aandacht aan dit onderwerp besteed bij MS. Verder start MS vaak op een vrij jonge leeftijd, vaak op een moment waarop mensen aan het begin van een carriere, gezin of relatie staan; in deze levensfase moeten keuzes, zoals voor kinderen, vaak nog gemaakt worden. Op zo’n leeftijd heeft een ziekte vermoedelijk een andere impact dan wanneer een ziekte op latere leeftijd aanvangt.

Er wordt vaak een behoorlijk beroep gedaan op mensen met MS en partners, en dat vereist aanpassing en flexibiliteit van beiden. Deze aspecten en het grillige en progressieve verloop van de ziekte maakte MS voor mij een interessante en belangrijke groep om te onderzoeken.