Bij proefdieronderzoek is de vertaling van dier naar mens vaak moeilijk. Hoe komt dat? Oostenrijkse onderzoekers hebben in een literatuuroverzicht uiteengezet wat de voordelen en beperkingen zijn van proefdiermodellen. Hun voornaamste conclusie is dat het belangrijk is het juiste model te selecteren om een specifieke onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden.  

In artikelen over MS staat vaak dat MS een demyeliniserende  auto-immuunziekte  is en dat experimentele auto-immuun encefalomyelitis (EAE) een geschikt model is om de pathogenese van de ziekte te bestuderen. Er bestaan echter veel verschillende diermodellen, waaronder EAE, maar bij geen enkel model krijgen de dieren precies de ziekte MS. Hun aandoening lijkt slechts voor een deel op MS, bijvoorbeeld alleen voor wat betreft acute ontsteking, demyelinisatie, remyelinisatie of het afsterven van zenuwcellen.

EAE-modellen

Proefdiermodellen kunnen in drie typen verdeeld worden: EAE-modellen, virale modellen en modellen waarbij toxines gebruikt worden. EAE werd ontdekt rond 1950 en leek model te kunnen staan voor MS. De ziekte ontstaat door dieren in te spuiten met myeline of hiervan afgeleide eiwitten. Tegen deze stofjes maken de dieren een bepaald soort T-cellen, CD4+ -T-cellen, die een acute ontsteking in de hersenen veroorzaken, die lijkt op de ontsteking bij MS.

De laatste jaren lijkt het er echter op dat therapieën tegen CD8+-T-cellen en B-cellen bij vastgestelde MS een veel groter effect hebben dan therapieën tegen CD4+ -T-cellen. Deze  CD8+-T-cellen en B-cellen spelen misschien een belangrijke rol  bij de uitbreiding van de ontsteking en bij de weefselbeschadiging. EAE lijkt daarom wel geschikt voor fundamenteel onderzoek naar het ontstaan van de ontsteking, maar niet voor het ontwikkelen van therapieën.

Virale modellen

Het is niet bekend waardoor MS veroorzaakt wordt, maar één van de ideeën is dat een virus de boosdoener is. Vandaar dat onderzoekers het interessant vonden dat bepaalde virusinfecties in dieren een demyeliniserende ontstekingsziekte teweegbrengen die lijkt op MS, en dit gingen bestuderen.

Er is echter geen bewijs dat virussen een rol spelen bij MS. Toch is het nuttig virale modellen te gebruiken omdat  je ermee kunt achterhalen hoe een virus ontsteking en demyelinisatie op gang brengt. Een complicerende factor is wel dat de mechanismen die een rol spelen bij de virusinfectie en bij de auto-immuunreactie moeilijk uit elkaar te houden zijn.

Toxine-modellen

Beschadiging van myeline kan ook rechtstreeks bewerkstelligd worden door dieren met giftige stoffen in te spuiten. Met name cuprizon, lysolecithine en ethidiumbromide worden voor dit doel gebruikt. Deze modellen zijn vooral geschikt om demyelinisatie en therapieën voor remyelinisatie mee te bestuderen. Ontsteking speelt geen rol wat de modellen simpeler maakt. Een nadeel  is dat remyelinisatie in dieren veel sneller gaat dan bij MS, vooral bij progressieve MS herstelt myeline langzamer.

Conclusies

De onderzoekers concluderen dat met een proefdiermodel maar bepaalde aspecten van MS bestudeerd kunnen worden. Ook zijn niet alle modellen geschikt voor het ontwikkelen van therapieën. Het is dus belangrijk om voor een specifieke vraag het juiste model te selecteren.

Verder constateren ze dat er voor het bestuderen van de rol van  CD8+-T-cellen en B-cellen en voor de mechanismen van demyelinisatie en weefselbeschadiging bij progressieve MS nog maar weinig modellen bestaan. Hiervoor moeten nieuwe modellen ontwikkeld worden.

Bron:  Lassman H, Bradl M – Medical University of Vienna, Austria.
Acta Neuropathologica, 2016 Oct 20. [Epub ahead of print] 

Samenvatting: www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/2776643

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *