Een team van Britse en Italiaanse onderzoekers heeft een methode ontwikkeld waarmee het ziektebeeld van de ziekte van Devic beter onderscheiden kan worden van de schubvorm van MS. MRI-scans blijken op vier punten zodanig te verschillen dat MS met 98 procent zekerheid juist gesteld kan worden.

De ziekte van Devic en het spectrum van afwijkingen die onder deze ziekte vallen worden soms verward met de schubvorm van MS (RRMS). Bij Devic is het myeline van de oogzenuw en het ruggenmerg ontstoken, en de symptomen die daarbij horen zijn ongeveer hetzelfde als bij RRMS. Op de MRI-scans van sommige patiënten zijn in het ruggenmerg en op bepaalde plaatsen in de hersenen de ontstekingen als laesies zichtbaar.

De klachten en het ziektebeloop zijn bij Devic meestal ernstiger dan bij MS en voor deze ziekte zijn andere medicijnen nodig. Daarom is het belangrijk om de aandoeningen goed te kunnen onderscheiden.

De meeste mensen met Devic hebben typische antistoffen tegen aquaporine-4 in hun bloed (afgekort AQP4), waarmee je de ziekten uit elkaar kunt houden. Sommige patiënten missen die stoffen echter. Voor hen is dus een aanvullende diagnostische methode nodig.

Britse en Italiaanse onderzoekers gingen daarom na of je met hersen-MRI’s een onderscheid kunt maken tussen beide ziekten. Ze bestudeerden bestaande MRI-hersenscans van 44 mensen met Devic en 50 mensen met RRMS. Alle Devic-patiënten bezaten het AQP4, zodat de wetenschappers zeker wisten dat het om Devic-patiënten ging.

Het bleek dat bij 26 van de Devic-patiënten laesies op de MRI-scan te zien waren. Bij zeven van hen voldeed de verdeling aan het Barkhof criterium voor verspreiding van RRMS-laesies in de ruimte. Als je alleen daarnaar kijkt kan je dus de verkeerde diagnose stellen. Een extra reden voor de onderzoekers om op zoek te gaan naar verschillen.

Toen de wetenschappers de MRI’s over elkaar heen legden ontdekten ze flinke verschillen tussen beide ziekten. De RRMS-patiënten hadden over het algemeen veel meer laesies dan de Devic-patiënten en de meeste van die laesies zaten naast de hersenventrikels. Op die plek kwamen er bij de Devic-patiënten juist weinig laesies voor. Verder hadden de RRMS-patiënten meer laesies in de temporale kwabben, twee hersengebieden boven de oren. Tenslotte kwamen er alleen bij de RRMS-patiënten laesies voor in de zogenaamde U-vezels, structuren in de hersenschors, en typische, eivormige laesies bij de bloedvaten bij de hersenventrikels (genaamd Dawson’s fingers).

Als de onderzoekers alleen naar die vier locaties en vormen keken bleken 9 van de 10 RRMS-patiënten een of meer van die laesietypen te hebben en maar 1 van de 10 Devic-patiënten. Zij berekenden op grond van hun bevindingen en al bekende diagnostiek dat MS bij 98 van de 100 patiënten van de onderzochte groep met hun methode juist gediagnosticeerd kan worden.

Bron: Matthews L, Marasco R, Jenkinson M, Küker W, Luppe S, Leite MI, Giorgio A, De Stefano N, Robertson N, Johansen-Berg H, Evangelou N, Palace J
University of Oxford, University of Cardiff, University of Nottingham in United Kingdom, University of Siena in Italy.
Neurology, 2013 March 13 [Epub ahead of print]