MS-patiënten die worden behandeld met interferon-β preparaten (IFNβ) ontwikkelen uiteenlopende hoeveelheden antistoffen die het biologische effect van de preparaten neutraliseren, de in-vivo biobeschikbaarheid ervan doen afnemen en de therapeutische werkzaamheid ervan verminderen.

Canadese onderzoekers wilden de vorming van neutraliserende anti-stoffen (Nabs) tegen de verschillende goed verkrijgbare interferonmedicijnen onderzoeken. Zij onderzochten intramusculaire Avonex (IFNβ-1a), subcutane Rebif (IFNβ-1a) in twee doseringen (22 en 44 μg), en Betaferon (IFNβ-1b). De onderzoekers keken naar de hoeveelheid keren dat antistoffen aanwezig waren (de frequentie) en wat hun gehalte was (de hoeveelheid).

Over een periode van drie jaar stuurden neurologen van MS-klinieken het serum van 2711 MS-patiënten (3124 monsters) op naar één centraal onafhankelijk laboratorium. De klinieken waren verspreid over heel Canada. De onderzoekers testten de serum-monsters op de aanwezigheid van NAbs. Ze gebruikten een kwantitatieve gestandaardiseerde bepalingsmethode.

Ze troffen NAbs het meest (35%) aan bij gebruikers van Rebif in de hoge dosering (44 μg), en het minst (7,5%) bij gebruikers van Avonex. Bij gebruikers van Betaferon en Rebif (22 μg) was dit bij 22 procent het geval.
Verder vonden de onderzoekers bij 65-83% van de patiënten met aantoonbare NAbs een ‘hoog’ te noemen NAbs-serum gehalte. Bij 22 procent van de patiënten met NAbs die Betaferon gebruikten was het gehalte ‘zeer hoog’ evenals bij bijna de helft (42-47%) van de patiënten met NAbs die Avonex en Rebif gebruikten.

De onderlinge verschillen in de vorming van NAbs bij de vier medicijnen waren nog duidelijker wanneer je zowel met de frequentie als met de hoeveelheid rekening hield.

Bron: Grossberg SE, Oger J, Grossberg LD, Gehchan A, Klein JP.- Department of Microbiology and Molecular Genetics, Medical College of Wisconsin , Milwaukee, Wisconsin.
Journal of Interferon & Cytokine Research 2011 Jan 12. [Epub ahead of print]

Samenvatting