MS-onderzoek in Nederland (9): dr. Bert A. ‘t Hart en dr. Jeffrey J. Bajramovic

In een serie artikelen besteedt MSzien aandacht aan de stand van zaken bij het MS-onderzoek in Nederland. In aflevering 8 kwamen de vijf vrouwelijke wetenschappers aan het woord die een speciale onderzoeksbeurs hebben gehad van de stichting MS Research, een MS Fellowship. Dat artikel sloot af met de twijfel die zij hebben over dierproeven. In deze aflevering gaan twee onderzoekers die zelf met dierproeven werken op die twijfel in. En op de mogelijke alternatieven.

Door: Raymond Timmermans

jd-wetenschap-081201-twaalf-jaar-onderzoek-aapjes1“Helaas zijn proeven met dieren vooralsnog noodzakelijk om de juiste medicaties voor mensen met MS te vinden”. Aldus dr. Bert A. ‘t Hart en dr. Jeffrey J. Bajramovic, twee biologen die vanuit verschillende invalshoeken de laatste jaren nauw bij onderzoek met dieren zijn betrokken. “Niet alleen omdat het moeilijk is om medicaties direct op patiënten uit te proberen. Maar ook omdat het nu zelfs wettelijk verplicht is de veiligheid en werkzaamheid van nieuwe geneesmiddelen eerst op proefdieren te testen”.

Niettemin speuren deze wetenschappers naar “een alternatief, een reële mogelijkheid om dit soort onderzoek zonder dieren te doen”. Waaraan Bert ‘t Hart – ietwat gepikeerd – toevoegt: “Maar de twijfel van de vijf onderzoekers in de vorige aflevering van deze serie, aan het nut van dierproeven, vind ik enigszins onwetenschappelijk…”

Die vijf twijfelaars zijn Sandra Amor, Inge Huitinga, Leonie Boven, Wia Baron en Brigit de Jong. Zij zijn tot nog toe de enigen die van de Stichting MS Research een MS Fellowship hebben gekregen, een speciale onderzoeksbeurs van enkele honderdduizenden euro (zie de vorige editie). In dat artikel stelden zij dat het niet zoveel zin lijkt te hebben met dierproeven door te gaan, zolang niet bekend is hoe de mensenziekte MS precies in elkaar zit. Dieren blijken namelijk niet echt MS te kunnen krijgen, muizen niet, ratten niet en zelfs apen niet.

Mensenziekte

Op dat laatste punt krijgen de vijf onderzoekers overigens van Bert ‘t Hart gelijk: “Inderdaad is MS een mensenziekte die niet bij dieren voorkomt. Maar we denken toch een model te hebben gevonden dat we vooralsnog zeer verantwoord bij dieren kunnen testen, in het bijzonder bij marmosets – een kleine apensoort”. Het gaat om Experimenteel geïnduceerde Autoimmuun Encephalomyelitis, beter bekend onder de afkorting EAE. “Een model dat zeer sterk lijkt op MS, zowel wat betreft het klinische verloop als de pathologische veranderingen in zowel witte als grijze stof van het centraal zenuwstelsel”.

Waarom apen en geen muizen of ratten?

“Sommige ziekten en medicamenten zijn nu eenmaal zo ingewikkeld, dat proeven met ratten en muizen gewoon niet voldoende informatie geven. Daarvoor zijn hoogwaardiger, dichter bij de mens staande dieren nodig zoals de marmosets. Een belangrijk voordeel van de marmosets is, dat ze gevoelig zijn voor infecties met virussen waarvan we aannemen dat die een rol spelen bij MS”.

Bert ‘t Hart en zijn collega’s hebben sedert 1996 aan EAE gewerkt. In nauwe samenwerking met wetenschappers over de hele wereld hebben ze langs deze weg een cel gevonden die schade blijkt te kunnen veroorzaken aan het centraal zenuwstelsel. Verder hebben ze met deze proeven ook de uitleg kunnen verbeteren van wat via de MRI-scan is te zien. En ze hebben een bepaald soort witte bloedcellen ontdekt, T-lymfocyten, die verantwoordelijk zijn voor neurologische defecten.

“Voor die proeven hebben we zowel grondige kennis nodig gehad van MS als van de eigenschappen en reactiemogelijkheden van de proefdieren”, zegt Bert. “Waarbij ik me overigens heel goed realiseer dat het van belang is bij deze proeven de eigenwaarde van de dieren te respecteren. Daarom zal ook ik het moment toejuichen dat we het zonder dierproeven kunnen doen”. Intussen is en blijft voor hem en zijn collega’s het uitgangspunt dat elk onderzoek met dieren een direct belang moet hebben voor patiënten en dus moet leiden tot een beter begrip van het ziekteproces bij mensen of moet bijdragen aan een effectievere en veiligere behandeling.

Pathobioloog

Rotterdammer Bert ‘t Hart (1953) is bioloog, en in het bijzonder pathobioloog. “In eerste instantie wilde ik arts worden maar voor die studie ben ik helaas uitgeloot. Toen heb ik voor biologie gekozen”. Biologie is de leer van de levende wezens en hun functies. Alle levende wezens: mensen maar ook dieren. Bij het begrip pathobioloog staat patho voor ziektes en aandoeningen. Een pathobioloog is dus een bioloog die zich met ziekten bezighoudt. En in die sector is Bert ‘t Hart nu gespecialiseerd tot immunopatholoog, een bioloog die wetenschappelijke kennis verzamelt die met het immuunsysteem te maken heeft. Dat immuunsysteem is bij MS zeer verstoord

Bert ‘t Hart is familie en naamgenoot van de schrijver en net als Bert bioloog Maarten ‘t Hart. “Volgens mij is het een verre achterneef”. Maar over medisch-wetenschappelijk onderzoek denken de twee ‘t Harts waarschijnlijk niet identiek. Maarten is bijvoorbeeld enige tijd ‘lijstduwer’ geweest van de Partij voor de Dieren, die alle onderzoek met dieren volstrekt afwijst

Bert duidt zichzelf meestal – in het Engels – aan als scientist, wetenschapper. Iemand die de wetenschap ziet als bron van alle kennis. Heeft een aantal functies bij diverse instanties. Zo is hij verbonden aan het Erasmus MS-centrum in Rotterdam. En sinds 1998 hoofd van de afdeling Immunobiologie van het Biomedisch onderzoekscentrum in Rijswijk, het BPRC.

Hagenees Bajramovic

jd-wetenschap-081201-twaalf-jaar-onderzoek-bajramovic

Jeffrey Bajramovic,
een van de belangrijkste
onderzoekers naar
alternatieven voor dierproeven.

Daar werkt ook ‘Hagenees’ – zoals hij zichzelf noemt – Jeffrey Bajramovic (1971). Hij geldt als een van de belangrijkste onderzoekers naar alternatieven voor dierproeven. Bij het BPRC is hij sinds 2005 hoofd van de Unit Alternatieven. Jeffrey – doctor in de biologie – heeft wortels in de Balkan. “Mijn achternaam stamt uit Kosovo. Al ben ik erachter gekomen dat de ouders van mijn opa niet als Bajramovic door het leven gingen maar als Krasnic, wat meer op een Albanese achtergrond zou wijzen”.

Tijdens zijn studie in Leiden kwam hij in contact met dr. Hans van Noort – de echtgenoot van Fellowshipper Sandra Amor – en deed bij hem onderzoek naar de betrokkenheid van het eiwit alfa B-crystalline bij MS. Nu is hij druk bezig met een onderzoeksprogramma naar alternatieven voor dierproeven. Bestudeert in dit kader in het bijzonder de rol van het aangeboren immuunsysteem in ontstekingsreacties binnen de hersenen. Werkt nauw samen met het Nederlands Centrum Alternatieven voor dierproeven (NCA).

Jeffrey typeert zichzelf als ‘een ongeduldig maar secure onderzoeker’. Probeert zijn labwerk met zoveel mogelijk andere zaken te combineren. “Zo verzorg ik als gastspreker namens de Stichting Informatie Dierproeven presentaties op scholen en instellingen. Daarnaast ben ik vrijwilliger bij MSweb”. In die rol levert Jeffrey geregeld artikelen aan over wetenschappelijke onderzoekspublicaties uit de hele wereld.

Ingewikkelder dan gedacht

In en buiten het lab probeert Jeffrey, zoals hij het zelf stelt, “een gedegen bijdrage te leveren aan de kennisontwikkeling”. Hij voegt er direct aan toe: “Bescheidenheid is daarbij belangrijk, omdat de werkelijkheid telkens weer ingewikkelder en weerbarstiger in elkaar blijkt te zitten dan gedacht, zeker als het om MS gaat. Lastig daarbij is ook dat we geen weet hebben van het eindpunt van die complexiteit en dus ook moeilijk kunnen inschatten of we er nu al veel of nog ontzettend weinig van begrijpen. Het enige dat we met zekerheid kunnen vaststellen is dat onze kennis ontzettend gegroeid is met de jaren, ook de kennis over de complexe samenhang van dingen. Dat is vooral dankzij veel onderzoek, en ook onderzoek met dieren”.

Dat brengt hem op de opmerking van de vijf Fellowshippers, dat misschien meer is te bereiken door de hersenen van overleden mensen die gezond waren te vergelijken met de hersenen van overleden MS-patiënten. Jeffrey: “Met dood menselijk donormateriaal zijn zulke vergelijkende studies vooralsnog lastig. Ten eerste is er een tekort aan hersenendonoren zonder neurologische aandoeningen. Juist dat materiaal is hard nodig om er zeker van te zijn dat experimentele bevindingen betrekking hebben op de normale situatie of juist op de abnormale – zieke – situatie”. Als tweede bezwaar noemt hij de tijdsduur die verstrijkt tussen het overlijden en het uitnemen van de hersenen, ook al betreft het maar enkele uren. “Belangrijk, omdat bekend is dat de cellen waarom het ons gaat, zeer snel geactiveerd kunnen raken”. Zijn derde tegenargument: “Bij menselijke donoren is er geen controle over het proces van overlijden. Dit proces kan de staat van de hersencellen hebben beïnvloed”.

Daarom is volgens hem een goede tussenoplossing, gebruik te maken van hersenmateriaal van in het BPRC overleden dieren, wat nu in toenemende mate gebeurt. “We hebben dan al die factoren van tijd en ziekteprocessen onder controle. En het lijkt me bovendien een uitstekend alternatief voor proeven met levende dieren”.

Patiëntenorganisaties

2cewetenschap-080810-msonderzoek8-huitinga

Inge Huitinga: niet tégen dierproeven
maar vooral vóór onderzoek in de mens

Bert ‘t Hart vult aan: “Goed onderzoek is een proces dat je vele malen herhaalt, waarbij je de gevonden antwoorden op vragen over ziekten, uitentreuren test. Pas als je over al die tests tevreden bent kun je de gevonden therapie toetsen bij de patiënten zelf. Ik denk dat we door de ongelofelijk complexe dynamiek van MS voorlopig naast wetenschappelijk mensenonderzoek ook nog dierenonderzoek nodig hebben”. Wat hem brengt tot de hartenkreet: “Patiëntenorganisaties zouden meer dan nu het geval is hun steun aan wetenschappelijk onderzoek moeten uitspreken. Wat mij betreft moet die steun dan ook het onderzoek met proefdieren omvatten, want patiënten zijn hierbij immers directbelanghebbend”.

Jeffrey Bajramovic is het met hem eens: “Mijn indruk is dat de maatschappij de verantwoordelijkheid voor dit soort onderzoek afschuift op individuele onderzoekers. Dat lijkt me niet juist. We leven in een steeds sterker risicomijdende wereld en een van de consequenties daarvan is dat we met zijn allen dierproeven nodig vinden bij medisch onderzoek. Dan moeten we de verantwoordelijkheid daarvoor ook met zijn allen willen accepteren”.

De vijf Fellowshippers voelen zich aangesproken. Merken op, dat nu ten onrechte de indruk dreigt te ontstaan dat zij dieronderzoek categorisch afwijzen. Inge Huitinga: “Het nut van dierexperimenteel onderzoek naar MS heeft zich dubbel en dwars bewezen toen het ging om Tysabri. Ik pleit dan ook zeer beslist niet tégen dierproeven maar vooral vóór het grote belang van onderzoek in de mens. Het een sluit het ander niet uit, het een versterkt het ander”. En Leoni Boven zegt: “Ook ik ben zeker niet tegen diermodellen – sterker nog, ik heb er jaren mee gewerkt – omdat die ook volgens mij, met de juiste vraagstelling, zeer nuttige informatie kunnen opleveren”.

MSzien is deze artikelenserie begonnen in voorjaar 2007.

Eerder kwamen prof. dr. Chris Polman, prof. dr. Frederik Barkhof, dr. Rogier Hintzen, prof. dr. Jon Laman, prof. dr. Erik Boddeke, dr. Eric Ronken en drs. Hugo Hurts aan het woord. Deze artikelen zijn terug te vinden in de rubriek Méér over MS –> Wetenschap

 

MSzien jaargang 7, december 2008 (4)

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *