skip to Main Content
Met één Druppel Bloed MS Voorspellen (40)

Met één druppel bloed MS voorspellen (40)

MS-onderzoek in Nederland (40): dr. Joep Killestein

 

In Nederland is sprake van hooggekwalificeerd MS-onderzoek. Gestimuleerd door de eerste MS-professor, dr. Chris Polman. Met hem begon MSzien ruim negen jaar geleden deze artikelenserie. Sindsdien kwamen tientallen onderzoekers voorbij. Velen werkzaam bij het bekendste Nederlandse MS-onderzoekscentrum, dat van het VUmc in Amsterdam. Zoals deze keer – de door Polman zelf op het spoor van MS gezette – dr. Joep Killestein. Al sinds 1997 lid van de Amsterdamse onderzoeksgroep en daar een zeer geziene medespeler.

 

Door: Raymond Timmermans

160905-mszien-msonderzoek-40-killestein-1Neuroloog dr. Joep Killestein (*1968), van het Medisch Centrum van de Vrije Universiteit in Amsterdam (VUmc) onderzoekt of met een bloedtest is vast te stellen of iemand MS heeft en zo ja hoe het verloop van die ziekte zal zijn. Hij werkt daarbij nauw samen met een onderzoeksgroep van het kankercentrum van het VUmc, die onder leiding staat van prof. dr. Tom Würdinger. Deze is gespecialiseerd in de analyse van het genoom, de verzameling van erfelijke factoren in het lichaam.

Zij gaan voor dit onderzoek het bloed van ongeveer honderd MS-patiënten in het laboratorium vergelijken met dat van zo’n honderd andere mensen. “De meeste bloedmonsters hebben we al. Bij de mensen met MS gaat het om patiënten van het VUmc die toestemming hebben verleend voor het gebruik van hun bloed voor onderzoek”. De eerste resultaten van dit onderzoek zijn te verwachten halverwege 2017.

Joep Killestein; je komt zijn naam heel veel tegen in het MS-theater; ook veelvuldig op MSweb. Toch weet je eigenlijk heel weinig van hem. Lijkt voortdurend wel ergens in de coulissen te staan maar zelden als hoofdrolspeler op de planken. Maar vergis je niet. In het repetitielokaal in alle rust bezig aan een nieuwe Houdini-act: hoe aan de hand van een druppel bloed het verdere verloop van iemands MS te voorspellen.

Niet zomaar uit het niets verzonnen, want eerst besproken met de mensen van het kankercentrum van het VUmc, het Cancer Center Amsterdam (CCA). Zij hebben namelijk eind 2015 vastgesteld dat aan bloedplaatjes – de cellen die voor de bloedstolling zorgen – met een zekerheid van 96% te zien is of er sprake is van kanker.

 

Vingerprik

Bijzonder is voorts, dat de onderzoekers hierbij gebruik maken van een geringe hoeveelheid bloed. Meestal is niet meer nodig dan een vingerprik. En dat maakt deze methode veel simpeler en minder belastend dan het standaard uitnemen van een stukje weefsel, een zogenoemd biopt. Bijkomend voordeel is dat met deze methode bovendien veel eerder kanker is op te sporen.

Nu zijn er aanwijzingen dat aan die bloedplaatjes ook te zien is of iemand MS heeft, welke vorm van de ziekte en zelfs hoe de verdere ontwikkeling zal zijn. Joep Killestein legt uit dat dit vooral te danken is aan het feit dat in bloedplaatjes een soort kopieën blijken te zitten van het menselijk DNA, de belangrijkste drager van erfelijke informatie in het lichaam. Die kopieën heten samengevat RNA, dat staat voor het Engelse Ribonucleic acid.

 

Vingerafdruk

Biometric fingerprint identification system electronics“Eerste onderzoeksgegevens suggereren dat MS-ontstekingscellen invloed hebben op de RNA-patronen van de bloedplaatjes. Ze laten als het ware een vingerafdruk achter. Met nadere bestudering van die patronen denken we nu niet alleen MS te kunnen vaststellen maar ook het ziekteverloop te kunnen voorspellen. En ook iets te kunnen zeggen over de effectiviteit van bepaalde therapieën en medicijnen. Vraag is vooral hoe betrouwbaar die waarneming is, want als je het hebt over 80 procent is dat feitelijk te weinig. Maar we hopen meer. Dat zou heel spectaculair zijn en van groot belang voor mensen met MS”

Het gaat nu nog om een klein onderzoek, een zogeheten pilotstudy, om te bepalen of een groter onderzoek zin heeft. Voor die pilotstudy heeft de Stichting MS Research € 50.000 gegeven.

 

Utrecht

Hij is geboren in Utrecht. Aan de universiteit daar in 1987 begonnen met de studie psychologie. Een jaar later overgestapt op geneeskunde. Werd daar arts in 1996 en ging toen naar de VU in Amsterdam. Daar door prof. dr. Chris Polman geïnteresseerd geraakt in multiple sclerose. “In 1997 ben ik door hem aangenomen als arts-onderzoeker in het MS-centrum van het VUmc, nog vóóraf aan mijn opleiding tot neuroloog”. Die opleiding heeft hij afgerond in 2006 waarna hij nauw betrokken raakte bij diverse studies, ook in Europees verband.

Anno nu is hij naast zijn werk voor het VUmc onder meer bestuurslid van de landelijke MS-werkgroep in de Nederlandse vereniging van Neurologen en hoofdredacteur van het wetenschappelijke Tijdschrift voor Neurologie en Neurochirurgie (TNN). Ook lid van de wetenschappelijke raad van de Stichting MS Research.

 

T-cellen

Weliswaar in de eerste plaats neuroloog, met bijzondere kennis van MS, maar ook altijd nieuwsgierig geweest naar de invloed van het bloed op de ziekte. Zo promoveerde hij in 2002 bij prof. Polman op een proefschrift over de rol van T-cellen bij MS. T-cellen heten voluit teken T-lymfocyten. Het zijn als het ware de commando’s onder de witte bloedcellen, koplopers in het afweersysteem.

Na dat onderzoek is Joep Killestein inmiddels bij meer dan 140 onderzoekpublicaties betrokken geraakt, vaak in gerenommeerde medische bladen als The Lancet Neurology. Met onderwerpen die variëren van oogafwijkingen bij MS tot de invloed van het gebruik van diverse medicamenten. En nu dus weer terug bij de oorsprong, het bloed.

 

Vooral arts

160905-mszien-msonderzoek-40-killestein-2“Wat mij motiveert is de combinatie van patiëntenzorg en wetenschappelijk onderzoek. Tijdens het spreekuur doemen de onderzoeksvragen voor je op en als wetenschapper ben je op de hoogte van de nieuwste ontwikkelingen en kun je dus de meest up-to-date informatie geven aan de patiënt”.

Maar hoe belangrijk het onderzoekswerk ook, hij is en voelt zich vooral arts. “Ik heb uitgerekend dat ik maar voor maximaal 30 procent van mijn tijd betrokken ben bij wetenschappelijk onderzoek, voor 20 procent bij opleiding – waaronder het begeleiden van studenten tot arts en van neurologen in opleiding – en dus nog steeds voor de helft van mijn tijd bij patiëntenzorg. Dat is inclusief twee dagdelen per week spreekuur voor MS en algemene neurologie, één dagdeel per week voor het behandelen van zogenoemde second opinions en ook supervisie op de polikliniek en meedraaien op de spoedeisende hulp. Zo spreek ik tussen de 15 en 25 MS-patiënten per week. Eigenlijk wil ik dat zo houden”.

Al is er ook één ding dat hij in zijn dagelijkse praktijk graag zou veranderen. “De hoeveelheid e-mails en administratie. Een groot deel van de dag breng ik tegenwoordig achter het beeldscherm door. Die administratieve druk werkt remmend, zeker in vergelijking met tien jaar terug”

 

Patiënt centraal

Ook bij zijn onderzoekswerk zet hij het liefst de patiënt centraal. Zo wil hij de komende jaren vooral besteden aan het meer op maat behandelen van mensen met progressieve MS. “Het gaat dan om het optimaliseren van het juiste middel op het juiste moment en het tijdig overstappen op een ander middel”.

Ook in zijn onderzoeksrol heeft hij intussen al vele honderden MS-patiënten ontmoet. “Hen ben ik zeer dankbaar voor hun bijdrage. En blij dat het de laatste jaren gebruikelijk is om patiënten ook daadwerkelijk mee te laten denken aan en in de onderzoeksprojecten”.

Sinds 2013 programmaleider van het onderzoeksprogramma naar afwijkingen in het centraal zenuwstelsel oftewel in het Engels Neuroinfection&Inflammation (zie amsterdamresearch.org/web/neuroscience/home.htm). Daarvoor werkt hij nauw samen met professor. dr. Elga de Vries, voorbijgekomen in aflevering 21 van deze serie (zie msweb.nl/wetenschap/ms-onderzoek-in-nl-2009-11).

“Er is veel vooruitgang geboekt de afgelopen jaren in de behandeling van MS. Als we in een vroeg stadium van Relapsing-Remitting MS, RRMS, ziekteremmende medicatie geven, houden we bij een groot deel van de mensen de ziekte rustig. Met sterkere ontstekingsremmers als natalizumab en alemtuzumab zien we nu zelfs bij een klein deel van de mensen niet alleen stagnatie van het ziekteproces maar op de lange termijn zelfs enig herstel van functies die zijn uitgevallen. Maar er blijft uiteraard nog veel onderzoek te doen”.

 

Natalizumab

Naast het speciale bloedonderzoek is de toepassing van natalizumab op dit moment dan ook een belangrijk onderzoeksproject van hem. “We proberen aan te tonen dat natalizumab zó effectief is, dat een minder grote frequentie van de infusen voor veel mensen met RRMS haalbaar zou zijn. Uit onderzoek naar de hoogte van bloedspiegels bij behandelde patiënten blijkt dat natalizumab relatief wordt overgedoseerd bij de meerderheid van de patiënten. Wij willen een methode bedenken om pas een nieuw infuus te geven als de spiegel onder een bepaalde grens is gedaald”.

Aan dit onderzoek gaan meerdere MS-centra meedoen, waaronder het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam, het Antonius ziekenhuis in Utrecht, het Rijnstate in Arnhem en het Erasmus MC (Rotterdam).

Verwacht hij ook iets van stamceltransplantatie?
“Stamceltherapie heeft bij MS nog een lange weg te gaan. Vooralsnog alleen experimenteel toepasbaar bij heel selecte groep patiënten. Brengt forse risico’s met zich mee”.

Alternatieve therapieën dan?
“Alternatieve therapieën bestaan niet naar mijn mening. Er is voldoende wetenschappelijk bewijs voor een therapie of niet. Bij onvoldoende wetenschappelijk bewijs wordt een therapie soms alternatief genoemd. Betekent niet dat slangenbeten en dergelijke niet kunnen werken, maar dat weten we simpelweg niet. We weten ook niet of het schadelijk kan zijn. In dat geval schrijf ik het dus niet voor”.

Bedachtzame prater. “Maar dat geldt denk ik voor veel van mijn collega’s. We zijn liever toch altijd een beetje voorzichtig met stellingen”. Beetje slungelig, met weelderige krullen. Samenwonend, twee zoons, 11 en 13 jaar. Lijkt eerder een freewheelende tennisspeler a la John van Lottum dan een drukbezette neuroloog. “Maar tennissen doe ik niet, wel voetballen – vooral als voetbaltrainer en coach van mijn oudste zoon – hardlopen, schaatsen; bezigheden die voor veel mensen met MS niet altijd haalbaar zijn helaas, althans niet op de manier zoals ze dat zouden willen”.

Eigenlijk nooit iets anders willen worden. “Nou ja, zoals velen met mij: voetballer, maar daar was ik helaas niet voldoende getalenteerd voor”.

MSzien is deze artikelenserie begonnen in het voorjaar van 2007. Eerder kwamen aan het woord prof. dr. Chris Polman, prof. dr. Frederik Barkhof, prof. dr. Rogier Hintzen, prof. dr. Jon Laman, prof. dr. Erik Boddeke, dr. Eric Ronken, drs. Hugo Hurts, dr. Sandra Amor, dr. Inge Huitinga, dr. Wia Baron, dr. Leonie Boven, dr. Bert ’t Hart, dr. Jeffrey Bajramovic,  dr. Brigit de Jong, prof. dr. Raymond Hupperts, dr. Freek Verheul, dr. Sjef Jongen, dr. Stephan Frequin. prof. dr. Jacques De Keyser, prof. dr. Otto Roelf Hommes, prof. dr. Bernard Uitdehaag, drs. Dorine Siepman, dr. Wieneke Mokkink, Marco Heerings (Nurse Practitioner), prof. dr. Elga de Vries, dr. Lizette Ghazi-Visser, prof. dr. Jack van Horssen,  prof. dr. Piet Stinissen, prof. dr. Jeroen Geurts (de delen 25 en 26), dr. Thea Heersema, drs. Hanneke Hulst, dr. Inge Huitinga, dr. Immy Ketelslegers, dr. Menno Schoonheim, drs. Veronica Popescu, dr. ir. Charlotte Teunisse, dr. Jan Meilof, prof. dr. Jan J. Sixma en in twee delen dr. Sjef Copray. Alle artikelen in deze serie zijn geschreven door Raymond Timmermans. Eindredacteur is Louis Weltens.

MSweb archiveert de artikelen in de rubriek Meer over MS > wetenschap  onder het motto: ‘MS-onderzoek in Nederland’. De meest recente afleveringen zijn ook te vinden in de rubriek Magazine.

 

Eerder verschenen in MSzien – Jaargang 15, september 2016

 

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Back To Top