Gebruik van immuuntherapie in kinderen met relapsing-remitting MS in het Verenigd Koninkrijk

Deze studie vergeleek de effectiviteit van de nieuwere immuuntherapieën met de effectiviteit van de al langer bestaande injectietherapie in kinderen met relapsing-remitting multiple sclerose (RR-MS). Uit deze studie kwam naar voren dat de nieuwere immuuntherapieën*¹ een lager risico gaven op klinische en radiologische nieuwe ziekteactiviteit vergeleken met behandeling met injecties*². Deze studie ondersteunt hiermee het argument voor een grote verandering in dagelijkse praktijk, met gebruik van nieuwere, meer effectieve immuuntherapieën vanaf begin van de ziekte.

Het onderzoek

Immuuntherapie bij kinderen met RRMSIn verschillende ziekenhuizen werden de tussen januari 2012 en december 2018 behandelde kinderen met RR-MS terugkijkend geanalyseerd. Al deze ziekenhuizen waren verbonden aan het netwerk van inflammatoire de-myeliniserende aandoeningen op de kinderleeftijd in het Verenigd Koninkrijk.

Klinische en paraklinische gegevens werden uit de medische dossiers verzameld. Hieruit werden de volgende zaken berekend:

(1) het jaarlijks aantal aanvallen (ARRs) voor en tijdens de behandeling,

(2) de tijd tot nieuwe aanval,

(3) de tijd tot nieuwe MRI afwijkingen en

(4) de verandering in mate van beperking, uitgedrukt in EDSS score (Expanded Disability Status Scale).

Totaal deden 103 kinderen mee die werden behandeld. Deze kinderen werden gemiddeld 3.8 jaar gevolgd. Van de kinderen die werden behandeld met injectietherapie hadden 53/89 kinderen (59.5%) nieuwe aanvallen, vergeleken met 8/54 kinderen (15%) die werden behandeld met nieuwere immuuntherapieën. ARR daalde van 1.9 tot 1.1 bij injectietherapie (p<0.001) en van 1.6 tot 0.3 bij nieuwere immuuntherapieën (p=0.002).

MRI afwijkingen

Nieuwe MRI afwijkingen werden gezien in 77/89 kinderen (86.5%) met injectietherapie, vergeleken met 26/54 kinderen (47%) met nieuwere immuuntherapieën (p=0.0001).

Uitkomsten

De kinderen die behandeld werden met nieuwere immuuntherapieën hadden een langere tijd tot een nieuwe aanval, een langere tijd tot verandering van behandeling en een langere tijd tot nieuwe radiologische activiteit vergeleken met kinderen met injectietherapie (log-rank p<0.01).

Na correctie voor mogelijk beïnvloedende factoren, toonde statistische (multivariabele) analyse dat injectietherapie samenhing met een 12x verhoogd risico op klinisch nieuwe aanvallen (p=0.015), en een 2x verhoogd risico op nieuwe radiologische activiteit (p=0.034), vergeleken met de nieuwere immuuntherapieën.

Na twee jaar na start van behandeling hadden 38/103 kinderen (37%) radiologische activiteit op MRI zonder klinisch nieuwe aanval. De EDSS score veranderde niet tijdens follow-up, en maar twee patiënten hadden cognitieve problemen.

*¹ De groep nieuwere immuuntherapieën bestaat uit Dimethylfumaraat (Tecfidera), Fingolimod (Gilenya), Teriflunomide (Aubagio), Natalizumab (Tysabri), Ocrelizumab (Ocrevus) of Alemtuzumab (Lemtrada).
*² De groep injectietherapieën bestaat uit Interferon-Beta (Avonex/Rebif) of Glatirameeracetaat (Copaxone).

Bron: Omar A Abdel-Mannan et all; Neurol Neuroimmunol Neuroinflamm 2021 May 21; PMCID: PMC8143699

Samenvatting: pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/34021056/

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *