Blog Ilse: Zee

Als een aangespoelde potvis lig ik in de branding. Schuimende golven beuken hard en onverschillig tegen mijn lijf. Naast me buitelt een kwal door het zoute water. Als een washandje in een draaiende wasmachine tuimelt hij van links naar rechts en van onder naar boven. Heel even vindt hij rust in een hoopje zeewier, om vervolgens door de kolkende massa meegesleurd te worden.

De schuimende bak zout vreet bij iedere slag wat zand weg onder mijn potvissenlijf, waardoor ik steeds verder in de branding zink.

Kruipend ben ik in deze zee terecht gekomen. De duinpaden waren stijl geweest en de verzengende hitte had mijn benen vertraagd en mijn voeten nog gevoellozer gemaakt. ‘Trap rond! Trap rond!’, sprak ik mijn benen toe op de fiets. En ‘Stap voor stap!’, zei ik tegen ze op de trap. En ik zong ‘Voetje voor voetje ik kom eraan, ik heb geen kousen en schoenen meer aan!’, toen ik de laatste meters door het hete zand sleepte.

Met een doffe dreun draai ik me om naar mijn buik. Vanuit deze positie bekijk ik het strand. Een familie op fluorescerende zitzakken en met een rode coca cola parasol steekt scherp af tegen de zachte pasteltinten van het zand, de duinen en de lucht. Een meisje van een jaar of tien draagt een gouden bikini en eet uit een grote chipszak. Een gespierde sportschoolman in een felle groene zwembroek schreeuwt ‘JAYDEN, hier komen!’. In de verte dartelt een klein jongetje. Is het mijn jongen? Ja, dat is de mijne want zijn rechterarm draait als een propellertje rond, wat bij hem betekent dat hij blij en onbezorgd is.

Ik vraag me af of ik nog in staat ben om het water uit te komen. Op dit moment voel ik daar niets voor en lijkt het me vanzelfsprekender dat ik hier vanavond nog lig. Dat ik de fluorescerende familie uitzwaai, de zon in de zee zie zakken en voorbijgangers geruststel. Het is goed zo; laat me maar even liggen. Ik ga morgen in de koele vroegte van de dag weer eens op huis aan.

Dan hoor ik een meisje gillen. Het blijkt mijn kleine nichtje te zijn. Ze is gebeten door een kwal. Op haar witte billetjes zit een rode vlek zo groot als een pannenkoek. Naast me tuimelt het doorzichtige gevaarte mijn kant op. Nu wil ik geen potvis meer zijn, maar soepeltjes het water uitspringen. Zwalkend bereik ik mijn stoel en laat me erin ploffen.

Straks mogen we een ijsje als troost voor de kwallenbeet. Ik gun mezelf ook zo’n troostprijs. Het is vakantie en ik zoek de grenzen op: holadiejee.

Ilse

Fotografie: Maxim Wermuth

Dit bericht heeft 0 reacties

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *