Waar de blanke top der dijen… schittert in het zonnelicht. Elk jaar komt onvermijdelijk het moment dat de lange broek wordt verwisseld voor een rokje. In eerste instantie nog een bescheiden exemplaar tot ver over de knie, zeg maar rok. Maar naarmate de temperatuur stijgt, stijgt ook mijn zoomhoogte van mijn rok. Tot op zekere hoogte dan, want ik ben ook geen zestien meer.

column-140519-mariette-blanketopDe eerlijkheid gebied me te bekennen dat ik mij niet geheel onnozel direct in vol ornaat in de supermarkt laat zien. Het blootstellen van mijn geheel witte onderdanen aan het eerste straaltje zonlicht sinds maanden gebeurt enigszins besmuikt in de relatieve privacy van mij achtertuin. Met als enige getuigen mijn katten en wat rondhangende insecten. Soms krijgt ook mijn lief er een oogverblindende glimp van mee, maar die kan beter z’n snavel houden. Eén blik op zijn kuiten en een greep naar mijn zonnebril is genoeg om zijn gegniffel af te breken.

Ach ja, het menselijk lichaam wordt er niet fraaier op naarmate het ouder wordt. Maar als alles nog zo bleek is lijkt elk vetrolletje twee keer zo dik; elke deuk in de dijen twee keer zo diep en de strae op de buik twee keer zo lang. De knatsen en bobbels op de kuiten lijken twee keer zo hoog (met dank aan de verhoogde spierspanning) en de onderkinnen twee keer zo breed. Nu kan ik natuurlijk ’s winters naar de zonnebank gaan zodat ik het hele jaar geheel gebronsd door het leven kan gaan. Maar ja, ik vind één ongeneeslijke ziekte wel genoeg en zo’n muffe zonnebank kan wat mij betreft het stralende zonlicht nooit vervangen.

Vroeger had ik nog enige troost in het ons aangrenzende weiland. Onze buurboer had daar elk jaar koeien lopen. Niet van die mooie koeien: roodbont met van de fluffie oren en zachtbruine droopy-ogen. Maar witte dikbillen. Van die lompe ossen met witte knatsige ledenmaten. Ongegeneerd bezig met loeien, herkauwen en lelijk zijn. En deze dieren worden nooit bruin, in elk geval niet van de zon. Wel van de modder en andermans koeienvlaaien en andere uitwerpselen.

Kijk, toen ik die beesten nog als voorbeeld had was er nog een soort gevoel van leedvermaak mogelijk. Terwijl ik gedurende de zomer steeds bruiner werd, bleven zij bleek en ranzig. En als ik mezelf eens bleek buiten mijn tuinhekje waagde kon ik altijd even lekker een lange neus naar ze trekken. Nehnehneh! Ik word lekker wel bruin! En dan snel het tuinhekje weer induiken wanneer er iemand aankwam.

Maar helaas, de dikbillen zijn weg. Ze zijn vervangen door paarden. Van de elegante langbenige dravers. Bruine!Waar pubermeisjes van dromen en moeders met kleine kinderen naar komen kijken. “Kijk, mama, paardjes! Lief hè?’ En nu blijf ik geduldig achter het tuinhekje totdat de blanke top der dijen een beetje is bijgekleurd. En dat duurt lang, zal ik je zeggen! Want ik ben gek op de zon, maar echt zonnebaden is niet zo mijn ding. Want dan krijg ik het warm en ga ik zweten. Dan ben ik én bleek met bobbels, knatsen en vetrolletjes én bezweet en plakkerig. Hè bah!

Zo meteen komt de buurboer m’n tuinhekje ingerend. Op zoek naar z’n al jarenlang zoekgeraakte dikbil.

Mariëtte, mei 2014

Fotografie: Martin de Bouter