WAT IS MS --> Hulponderzoek
 In de subrubriek Diagnose staan de regels die de neuroloog hanteert om vast te stellen of iemand MS heeft. Er bestaat geen laboratoriumtest waarmee MS met zekerheid kan worden aangetoond of uitgesloten. Het stellen van de diagnose kan moeilijk zijn. Er zijn voor de arts wel een aantal hulpmiddelen om tot een zo zeker mogelijke diagnose te komen. Die hulpmiddelen staan in deze rubriek beschreven.
Print
Tam tam
Anamnese en lichamelijk onderzoek
Belangrijk is het verhaal van de patiënt, de anamnese en het lichamelijk onderzoek. Aan de hand van de klachten kan de neuroloog zich een beeld vormen of zij/hij bij deze patiënt moet denken aan MS. Het gaat dan om klachten zoals wazig zien, dubbel zien, gevoelsklachten, krachtsverlies, moeite met lopen, ongewild urineverlies enzovoort. Bij een langzaam progressief beloop moeten de klachten minstens een jaar duren. Bij lichamelijk onderzoek moeten de klachten objectief door een neuroloog worden vastgesteld. Daarnaast kan de neuroloog kijken of er misschien nog andere plaatsen zijn aangedaan zonder dat de patiënt hier direct iets van merkt.
MRI
Zonder noemenswaardig gevaar kunnen de hersenen sinds de jaren tachtig worden onderzocht met magnetic resonance imaging (MRI). De MRI, ook wel nuclear magnetic resonance (NMR) genoemd, heeft zowel voor de diagnostiek als voor het medisch wetenschappelijk onderzoek enorme veranderingen teweeggebracht.
Vóór de ontdekking van de MRI kon men de aanwezigheid van MS slechts vermoeden aan de hand van bepaalde klachten of afwijkingen. Nu zijn de laesie, de afwijkingen in het centraal zenuwstelstel, veel beter te zien en te meten. Daardoor kan de diagnose sneller gesteld. Ook blijken er meer mensen met MS te zijn, dan waar men vóór het MRI-tijdperk van uitging.
Een MRI-apparaat bestaat uit een soort tunnel of holle buis waar je ingeschoven wordt. Het apparaat maakt opnamen door middel van het veranderen van magnetische velden. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van radiogolven. De opname die met een MRI van de hersenen en ruggenmerg worden gemaakt zijn heel gedetailleerd. Vanwege de magnetische golven, mag je geen horloges, credit cards, of metalen voorwerpen dragen. Het onderzoek is weinig belastend. Het apparaat maakt alleen flink kabaal als je er in ligt. Heel soms krijgen mensen last van claustrofobie. Voor mensen met een pacemaker of voor vrouwen in het begin van de zwangerschap is de MRI verboden.
Op de MRI zijn de plekjes te zien die in de hersenen en het ruggenmerg voorkomen. Maar de afwijkingen op de MRI hoeven niet overeen te komen met de ernst van de ziekte en zij heeft ook een slechte voorspellende waarde voor het toekomstig beloop van de ziekte. Bovendien is bij een klein deel van de mensen met MS nog geen afwijking op de MRI te zien.
Liquoronderzoek
Door middel van een prik - lumbaalpunctie of ook wel lp genoemd - tussen de ruggenwervels wordt ruggenmergvocht afgetapt dat zich om het ruggenmerg bevindt. Dit vocht, ook wel liquor genoemd, wordt onderzocht. Afwijkingen in de hersenen tonen zich bij een aantal ziekten in dit vocht. De meeste mensen met MS hebben uiteindelijk bij MS passende afwijkingen in de liquor. Maar er zijn ook andere ziekten, bijvoorbeeld bepaalde virusinfecties, die dezelfde soort afwijkingen in het liquor kunnen geven als MS.
Bij een deel van de mensen zijn geen afwijkingen in de liquor te vinden. Dat zijn niet dezelfde mensen bij wie op de MRI geen afwijkingen te zien zijn. Om de diagnose MS te stellen is het niet meer strikt noodzakelijk om liquor afwijkingen te hebben, mits er wel typische klinische en MRI afwijkingen zijn. Dit geldt zowel voor de relapsing remitting vorm van MS als voor de primair progressieve vorm van de ziekte. Zoals altijd bij het stellen van de diagnose MS moet men heel zeker zijn dat er geen andere ziekte is die het beeld beter kan verklaren. Dat geldt extra voor patiënten die (mogelijk) MS hebben maar geen liquorafwijkingen.
Neurofysiologisch onderzoek
Een hulponderzoek dat voor het stellen van de diagnose van belang kan zijn is het bepalen van de geleidingssnelheid van de zenuwbanen in het centrale zenuwstelsel. In het zenuwstelsel bevindt zich myeline en bij de ziekte MS neemt de myeline in de zenuwen af. Door demyelinisatie, het afnemen of verminderen van myeline, vermindert ook de geleidingssnelheid in de zenuwen.
De geleidingssnelheid oftewel de snelheid van de stroompjes in de zenuwen, is te meten met behulp van evoked potentials. Evoked potential (EP) betekent 'opgewekte stroom'. Deze stroompjes zijn in verschillende gebieden te meten:
BAEP = brainstem auditory evoked potential of EP van het gehoor MEP = motor evoked potential of EP van het motorisch systeem SSEP = somato-sensory evoked potential of EP van het gevoel/tast VEP = visual evoked potential of EP van het gezichtsvermogen
Bovenstaande onderzoeken zijn niet al te zeer belastend maar duren wel lang. Bij twijfel over de diagnose kan de arts besluiten tot een EP-onderzoek. Bijvoorbeeld wanneer de klachten slechts naar één MS-plek in het zenuwstelsel wijzen of wanneer MRI-onderzoek niet mogelijk is. De betrouwbaarheid van dit onderzoek is niet optimaal.
Bloedonderzoek
Bloedonderzoek is voor de diagnose MS over het algemeen niet van groot belang. Het belang neemt toe, naarmate de kans groter is op een andere diagnose dan MS. Het wordt dan ook meestal gebruikt om andere ziekten uit te sluiten.
|
Meer informatie over hulponderzoeken is te lezen in W.E.J. Weber en R.M.M. Hupperts, Multiple Sclerose, Immerc 2002
|
|